Interessante citaten

I.Strawinsky:

“(-) Wat mij betreft, ervaar ik een soort angst, op het ogenblik dat ik aan het werk ga, en me realiseer wat een oneindig aantal mogelijkheden zich aanbiedt, en ik voel dat alles me is toegestaan.
Wanneer me alles is toegestaan, het beste en het slechtste, wanneer niets meer weerstand biedt, dan is voor mij iederre inspanning ondenkbaar, ik kan op niets bouwen en elke poging is te vergeefs (-)” en hij vervolgt:
“(-) Ik wil nog verder gaan, mijn vrijheid zal des te groter en omvattender zijn, hoe beperkter ik mijn handelingsveld afgrens en des te meer hinderpalen ik rondom opricht. Wie me van een weerstand berooft berooft me van een kracht. Hoe meer dwang men zich oplegt des te meer bevrijdt men zich van een ketting die de geest aan banden legt”.:


Citaat uit een lezing, gehouden voor studenten aan de Amsterdamse Kunstnijverheidsschool (Rietveldacademie), Uit  Op mijn rug rust de wind, Drie voordrachten van Lucebert met een essay van Jan Oegema. (ISBN 978-90-79020-00-3)

Lucebert:

:Dit inzicht, dat zowel de hemelse, de hogere, ideële wereld als de aardse, gewone, normale wereld in de hel niet alleen ontluisterd kan worden, maar daar zelfs haar laatste bestaansmogelijkheid kan verliezen, dit inzicht wordt in onze tijd dubbel en dwars, dwarser en dubbeler dan ooit gemeden. Maar waar is en wat is deze hel? Het is onze duistere kant, het ligt aan de andere kant van ons verlicht bewustzijn dat redeneert, en organiseert en indeelt en dat alle ongeregeldheden, driften, de instincten, de asociale neigingen, het geslachtelijke, de moordlust, de doodsdrift op de duistere kant werpt, en het daar maar een hel laat worden, een hel bevolkt met Hitlers, U-bommen, impotentie, Coca cola, Nobelprijzen, afgekloven nagels, stenografische verslagen, worstelkampioenen, schoenenfixaties, bevolkt met de hele santenkraam waar niemand, met de hand op het hart, meer een stuiver voor geeft maar waaraan eenieder zich ophangt als waren we allemaal prijsworsten, te verkrijgen op het volgende schuttersfestijn.:

(uit hetzelfde boekje):

:(-)Geloven, in de moderne,  kierkegaardiaanse zin van het woord, betekent beseffen dat de waarheid waarin ik mij moet waarmaken mij geen absolute grond kan garanderen, maar een grond heeft in het nietige, nergens toe behorende punt dat ik ben- een punt dat, eerder een grond, een afgrond is (Marc De Kesel, Goden breken. Essays over monotheïsme.).:



“Legendarische werkelijkheid”

(Deel uit de inleiding van het boek Chassidische vertellingen door Martin Buber).

…..Ze gaan terug op enthousiaste mensen, die in herinneringen en aantekeningen hebben vastgehouden wat hen enthousiasme waarnam of meende waar te nemen, dus zoveel dingen, die wel zijn voorgevallen, maar slechts door het oog van de enthousiaste te vatten waren, alsook dingen die zich zoals ze verteld zijn niet hebben toegedragen en ook niet hebben kunnen voorvallen, die de enthousiaste ziel echter ervoer als iets dat zich zintuiglijk zo had afgespeeld en daarom ook als zodanig berichtte. Daarom moet ik zo ze een werkelijkheid noemen: de realiteit van wat enthousiaste zielen ervaren, een realiteit die in alle onschuld ontstaan is, zonder plaats voor verzinsel of willekeur. Deze stervelingen berichtten echter niet over zichzelf, maar over datgene dat op hen ingewerkt had. Wat wij aan hen bericht ontlenen kunnen, is bijgevolg niet alleen een psychologisch feit, maar ook een in de gewone zin. Er gebeurde iets  dat enthousiasme opwekte en het had de uitwerking die het had: terwijl de overlevering deze uitwerking meedeelt, getuigt ze ook van wat deze uitwerking heeft- ze getuigt van ontmoetingen tussen enthousiasmerenden en geënthousiastmeerden en van de omgang tussen deze. Dat is legende en dat is haar realiteit…..

Eigen associaties..

Wat mij interesseert is het “Waarom kunst?”. In hoeverre sluit ik mezelf op in eigen gedachten? Luisterend, naar woorden in zinnen, verhalen, betekenis volgend, waarbij ik niet eens meer bewust denk: klopt het nog wel wat ik begrijp? Klakkeloos begrepen. Klakkeloos, hoe verhoudt zich dat vervolgens tot anderen? Betekent dit afvragen een tekort aan zelfvertrouwen? Is mijn perceptie niet ook gewoon de werkelijkheid?

Dus klakkeloos mag!

Klakkeloos id dan een toegeven aan eigen belangstelling, niet aan belangstelling voor wat anderen te berde brengen, dus vertrouwen op de innerlijke stem: “sla dat maar over, je eigen interesses zijn veel belangrijker”? Waar begint werkelijkheid, als klakkeloos wordt aangenomen? Leef ik in een tijd waarin ik me poog te ontdoen van de idee: het is zoals het is? Is dit een paradox van communicatie?

 

 

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *